De sociaal-economische context

Het laatste kwart van de negentiende eeuw was over het algemeen een periode van expansie. De bevolking van Nederland groeide in dit tijdvak sterk van ruim 4 miljoen in 1879 tot ruim 5 miljoen in 1899, vooral door daling van het sterftecijfer. Het economische leven begon van lieverlee zijn agrarische karakter te verliezen. De infrastructuur werd aanzienlijk verbeterd. Het spoorwegnet was rond 1870 in belangrijke mate gerealiseerd en er voltrok zich een snelle overgang van zeil- naar stoomvaart. Bovendien werden de waterwegen gemoderniseerd en geïntegreerd.

De Nederlandse economische take-off werd enigszins geremd door de crisis van 1873-1878, maar had vooral te lijden onder de landbouwcrisis die al aan het einde van de jaren zeventig inzette en tot de jaren negentig voortduurde. In Amerika had mechanisering haar intrede gedaan in de landbouw en deze leidde tot productievergroting en prijsverlaging. Mede dankzij de verbeterde transportmogelijkheden van de stoomvaart bereikte het goedkope Amerikaanse graan de Nederlandse markt, die wegens het liberale politieke klimaat niet door protectionistische maatregelen werd beschermd. De boeren werden geconfronteerd met een scherpe daling van de landbouwprijzen.

De malaise op het platteland veroorzaakte een migratie naar de stad, waar nu de industrialisatie op grote schaal plaatsvond. De industriële structuur van Nederland die gedurende het het laatste kwart van negentiende eeuw ontstond, had een dubbel karakter: arbeidsintensieve bedrijven waren gelokaliseerd in de periferie, vooral in Brabant en Twente, terwijl geschoolde en kapitaalsintensieve industrie in Holland was geconcentreerd. Daarnaast speelden de koloniën een belangrijke rol bij de industriële expansie en de groei van de dienstensector. Indië was bijvoorbeeld de belangrijkste exportmarkt voor de Twentse katoenindustrie.

Voorbereiding van de volkstelling

In de zomer van 1889 verzocht minister Mackay de gemeenten voorbereidingen te treffen voor de volkstelling van dat jaar. Daarbij ging het in het bijzonder om een drietal zaken:

  1. Voor de volledigheid van de resultaten was het nodig, dat er geen enkele woning werd overgeslagen. Daarom droeg hij de gemeenten op tijdig te controleren of de huisnummering correct en volledig was.
  2. De gemeenten werd verzocht ervoor te zorgen dat de bevolkingsregisters volledig waren bijgewerkt zodat na afloop van de telling de resultaten daarin gemakkelijk konden worden bijgeschreven.
  3. Het derde punt sloot hierbij aan: de gemeenten dienden hun plaatselijke indeling goed te beschrijven. Zij moesten voorlopige lijsten aanleggen van het aantal huizen en het vermoedelijke aantal bewoners van elke afdeling, wijk, dorp, gehucht of buurtschap.

De minister gaat uitvoerig in op deze laatste kwestie, die niet zo eenvoudig blijkt te zijn omdat het land nog betrekkelijk leeg en ongeordend was bebouwd. Buiten het relatief sterk verstedelijkte Holland was de bevolkingsdichtheid gering. Van elke afdeling, wijk, dorp, gehucht of buurtschap diende de naam te worden vastgelegd en precies te worden aangegeven hoeveel huizen ertoe behoorden. Bovendien moest worden genoteerd of deze binnen dan wel buiten de kom lagen.

Het begrip 'kom' was vastgelegd in een circulaire van 1859: daaronder werd verstaan aaneengesloten bebouwing waarbij de huizen slechts van elkaar werden gescheiden door straten, grachten, tuinen en pleinen, dit in tegenstelling tot woningen die verspreid stonden en door heide, weiland, bouwland en bos of boomgaarden waren omringd. Maar er waren minder duidelijke situaties van bij elkaar gelegen huizen die toch geen kom vormden en andere waarbij meer veraf gelegen huizen toch tot de kom gerekend werden. Bovendien kon een gemeente, uit dorpen of gehuchten bestaande, meer dan één kom hebben. Kortom, een kwestie om van tevoren goed over na te denken. Vanaf 1849 bieden de volkstellingen dergelijke informatie op submunicipaal niveau. De indelingen dienaangaande verschillen per gemeente. Zo zijn er naast het onderscheid binnen of buiten de kom, het 'dorp', de 'wijk', het 'gehucht'; en het 'buurtschap'.

De volkstelling werd geregeld bij het Koninklijk Besluit van 21 Augustus 1889 (Staatsblad no. 108), getekend door Willem III. De volkstelling is uitgevoerd met een aantal formulieren die in de voorschriften worden omschreven en nader toegelicht:

  • Model A (wit): kaart voor een man;
  • Model B (bruin): kaart voor een vrouw;
  • Model C (groen): kaart voor een tijdelijk aanwezige man;
  • Model D (rood): kaart voor een tijdelijk aanwezige vrouw;
  • Model E: verzamelkaart voor het hoofd van een gezin;
  • Model F: verzamelkaart voor een afzonderlijk levend persoon;
  • Model G: verzamelkaart voor bestuurders van gebouwen, gestichten of schepen
  • Model H: ontvangbewijs voor schippers;
  • Model I: biljet voor opgave van het aantal personen in gebouwen, gestichten of schepen
  • Model K: register voor elke volksteller, die ook de instructie bevatte;
  • Model L, staat van huizen en schepen.

Model A Formulier model A, 1889.

Resultaten van de volkstelling

De volkstelling laat duidelijk een stijging van het bevolkingsaantal zien in vergelijking met voorafgaande jaren. De grotere gemeenten (dat wil zeggen met meer dan 2000 inwoners) zijn relatief sneller gegroeid ten gevolge van de migratie van het platteland naar de stad. Dit verschijnsel heeft zich vooral in Gelderland en Zuid-Holland voorgedaan en het minst in Overijssel.

Bevolking, het rijk 1889 Bevolkingsgroei in Nederland, 1830-1889.

Omdat het oppervlak gelijk is gebleven, is de bevolkingsdichtheid ook toegenomen zij het niet overal in dezelfde mate: het sterkst in de provincies Drenthe, Zuid-Holland en Noord-Holland, het minst in Zeeland en Limburg. Wat Zuid- en Noord-Holland aangaat, zal deze vermeerdering wel moeten worden toegeschreven aan het feit, dat daar de grote steden lagen, waar de bevolkingsdichtheid sinds 1830 is verdubbeld. In Drenthe was de bevolkingsdichtheid zo gering dat een aanwas al snel zwaar meetelde.

Ook de omvang van het gemiddelde huisgezin is toegenomen. In 1879 telde een gezin gemiddeld 4-7 personen, terwijl het in 1889 gemiddeld uit 4-8 personen bestond. Deze toeneming blijkt het gevolg te zijn van een groter aantal kinderen per gezin:

  • 1879: 502 jongens en 452 meisjes per 1000 inwoners
  • 1889: ruim 511 jongens en 463 meisjes per 1000 inwoners.

Het precentage gehuwden is tot 1879 gestegen, daarna zet een daling in. In de grote steden is het aantal gehuwde mannen groter dan daarbuiten, bij de vrouwen is het juist omgekeerd. Dit vindt mogelijk zijn oorzaak in een grotere toestroom van gehuwde gezinshoofden en van ongehuwde dienstboden naar deze bevolkingscentra. Het aantal weduwen is overal hoger dan dat van de weduwnaars. Met name na 1879 is er een duidelijke stijging van het aantal echtscheidingen.

De meeste mensen blijken levenslang te blijven wonen in hun geboorteplaats. Wel is het percentage personen dat wordt geteld in hun geboorteplaats, van volkstelling tot volkstelling steeds kleiner. Wat het aantal vreemdelingen betreft, spannen de Duitsers de kroon; daarna komen de Belgen en vervolgens, met veel kleinere cijfers, de Fransen en Engelsen. Onder al deze nationaliteiten, met uitzondering van die der Engelse, is het aantal mannen het grootst.

Bevolkingspiramide, het rijk 1889 Bevolkingspiramide Nederland, 1889.

Beroepstelling

Evenals in 1849 en 1859 omvatte de volkstelling van 1889 ook een beroepstelling. De desbetreffende vragen waren vervlecht in de volkstelling zelf (vraag 9 en 10 van het formulier, zie afbeelding model A). Daarbij werd alleen gevraagd naar het hoofdberoep: een ambt in dienst van de staat, provincie, gemeente, waterschap of kerkgenootschap, een vak in de handel, nijverheid, kunst of wetenschap. Daarnaast diende te worden aangegeven of betrokkene hoofd van een bedrijf was en of hij zijn werk al dan niet voor eigen rekening uitvoerde. Eenvoudige antwoorden als 'arbeider' of 'dienstbode' waren dus niet voldoende; het soort bedrijf en de aard van een dienbetrekking moesten duidelijk worden opgegeven. Huiselijke bezigheden werden geacht het hoofdbestanddeel uit te maken van de werkzaamheden van de gehuwde vrouw, tenzij zij aantoonbaar een zelfstandig beroep uitoefende los van haar echtgenoot.

De beroepen werden als volgt gerubriceerd:

  • Landbouw
  • Nijverheid:
    • Voeding.
    • Kleding.
    • Gebouwen en scheepsbouw.
    • Huisraad.
    • Manufacturen.
    • Metalen.
    • Fabrieksnijverheid van verschillende aard.
    • Verschillende beroepen.
  • Handel.
  • Onderwijs, kunsten en wetenschappen.
  • Vrije beroepen.
  • Personen zonder beroep, en onbekend.

Een vergelijking met vorige tellingen, die ieder hun eigen systematiek hanteerden, leverde het volgende overzicht op:

Beroepen 1849-1889 Vergelijking van de beroepsstructuur 1849-1859-1889.

• Ga naar de volkstelling van 1889 in EASY:   http://dx.doi.org/10.17026/dans-29b-w3yq.

Literatuur

Blom, J.C.H., Nederland sinds 1830, in: J.C.H. Blom & E. Lamberts (ed.), Geschiedenis van de Nederlanden, Baarn 2006, p. 314-374.

Boonstra, O.W.A., Buurten en wijken in de volkstellingen van de negentiende eeuw, in: O.W.A. Boonstra, P.K. Doorn, M.P.M. van Horik, J.G.S. van Maarseveen & J. Oudhof (ed.), Twee eeuwen Nederland geteld. Onderzoek met de digitale Volks-, Beroeps- en Woningentellingen 1795-2001, Den Haag 2007, p. 455-470.

Hofstee, E.W., Korte demografische geschiedenis van Nederland van 1800 tot heden, Haarlem 1981.

Jacobs, J & Smits, J-P., Business cycles in the Netherlands, 1815-1913. Research Report from University of Groningen, Research Institute SOM (Systems, Organisations and Management), No. 01C52.

Jonge, J.A. de, Agrarische bedrijf, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 13, Bussum 1978, p. 40-43.

Petersen, W., The Demographic Transition in the Netherlands, American Sociological Review 25:3 (1960) p. 334-347.

Uitkomsten der beroepstelling in het koninkrijk der Nederlanden op den een-en-dertigsten December 1889. Inleiding bevattende een overzicht van de uitkomsten, etc., 's-Gravenhage 1895.

Uitkomsten der zevende tienjaarlijksche volkstelling in het koninkrijk de Nederlanden op den een en dertigsten december 1889. Overzicht van de uitkomsten, 's-Gravenhage 1898.

Zanden, J.L. van, The Economic History of The Netherlands 1914-1995: A Small Open Economy in the 'Long' Twentieth Century [Routledge], 2005.

Dordrecht 1889 Dordrecht omstreeks 1889. Chromolithografie door Edouard Hostein. Bron: Universiteitsbibliotheek Leiden.

Deventer 1889 Deventer, het Kerkhof, steendruk door Gerard Scheurleer. Bron: Universiteitsbibliotheek Leiden.

Chemische industrie De chemische industrie, in casu Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek, Delft. Bron: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam.

Personenwagen Daimler, personenwagen. Bron: Nederlands Centrum voor Autohistorische Documentatie.

(Klik op bovenstaande afbeeldingen voor een grotere versie)